Over de spiegels

Wat is er aan de hand?
De gemeenteraadsverkiezingen van maart 2014 markeren een nieuwe fase in de Nederlandse lokale democratie. Politieke partijen zoeken naar een nieuw antwoord op de vraag hoe maatschappelijke initiatieven moeten worden gewaardeerd.
In veel gemeenten hebben die partijen in hun programma’s teksten opgenomen over het belang van initiatieven door bewoners en ondernemers, over zelforganisatie en gemeenschapsvorming, over burger- en overheidsparticipatie, over een faciliterende houding en werkwijze van ambtenaren en vormen van co-productie tussen overheid en burgers. Dit geheel valt te betitelen als een inzet op een lokale democratische vernieuwing. Die beweging steunen wij van harte. We kennen echter ook de valkuil van vrijblijvendheid. Uiteindelijk kunnen, zelfs met deze intenties, oude patronen en bestuurlijke onderonsjes dominant blijven. Niet uit onwil maar uit onmacht.
Er is vaak
 te weinig aandacht voor de doorwerking van een nieuwe bestuurscultuur in alle kamers en uithoeken van het openbaar bestuur, gebrek aan ervaring in het met behulp van dialoog met de samenleving vorm geven van lokaal bestuur en onhandigheid bij het omgaan met initiatieven die niet in het beleid passen. De collegevormingen in de weken na de verkiezingen zijn de cruciale fase om daarin verandering te brengen. Daarom richten we ons met de Caleidoscoop op die fase.

Vitale democratie in de haarvaten van bestuur en organisatie
De kans is groot dat lokale initiatieven in partijpolitieke- en collegeprogramma’s waarderende teksten krijgen in paragrafen over bestuurscultuur, participatie, communicatie, wijkaanpak en cultureel ondernemerschap. Anno 2014 is dat echter te mager. De ultieme test is hoe de wens om tot een vitale lokale democratie te komen doordringt in alle onderdelen van beleidsvorming, overheidsorganisatie, financieel beleid, regelgeving, contract- en planvorming. Dodelijk is een cultuur waarin lokale initiatieven hun eigen subsidiehokje krijgen en de echte grote geldstromen en strategische keuzes een zaak blijven van bestuurlijke onderonsjes tussen lokaal bestuur en ‘grote spelers’ zoals ontwikkelaars, corporaties, welzijnswerk en kennisinstellingen. Lokale initiatieven kunnen namelijk alleen floreren als ze als gelijkwaardig worden behandeld met die grote spelers en waar nodig een streepje voor krijgen, bijvoorbeeld door maatschappelijk aanbesteden en het beschikbaar stellen van grond en gebouwen.

Kortom, het gestelde doel van een vitale lokale democratie moet in de haarvaten van het bestuur voelbaar en zichtbaar worden en terug te vinden zijn in uiteenlopende werelden als grondbeleid, aanbestedingsbeleid, beleids-en begrotingssystematiek, dienstverlening, leegstandsbeleid, APV, werkwijze van sociale wijkteams, beheer van de openbare ruimte, mobiliteitsbeleid, omgevingsvergunningen enzovoorts. Hoe dat moet zal iedere keer lokaal moeten worden ontdekt in dialoog met de samenleving.

Nieuwe spelregels in dialoog ontwikkelen
Die dialoog is zo belangrijk omdat we zien dat de inzet op lokale bestuurlijke vernieuwing veelal blijft hangen in taaie discussies over rollen van overheid en samenleving. Termen als regie, loslaten en faciliteren suggereren dat de overheid voor zichzelf moet uitmaken hoe ze de afstand tot de samenleving wil inregelen en waar ze wel of niet regie over wil houden. Daar hebben we ook die treurige participatieladders aan te danken. Maar overheid en samenleving vormen samen het publieke domein, hebben elkaar nodig en vinden in dialoog en werkendeweg een goede rol- en taakverdeling. Het gaat immers om een levendige democratie waarin ruimte voor maatschappelijk initiatief wordt gemaakt, met plezier wordt samengewerkt aan de kracht van de gemeenschap en waarin rolverdelingen en prioriteiten gaandeweg hun beslag krijgen.  Dat betekent ook dat er in collegeprogramma’s niet te hoog moet worden ingezet op wat het gemeentebestuur allemaal voor elkaar gaat boksen en ook niet te veel al moet worden ingevuld. Formuleer een levende agenda die de komen jaren in dialoog met de samenleving wordt ingevuld. Met respect voor initiatieven die nu nog niet ontwikkeld of bekend zijn en voor initiatieven die moeilijk in gemeentelijk beleid zijn in te passen.

Trots en zuinig zijn op initiatiefnemers
Soms lijkt het er op dat lokale overheden het nooit goed kunnen doen. Kwetsbare initiatieven doodknuffelen of bedelven onder vergunningsprocedures en subsidietrajecten. Krachtige initiatieven paternalistisch tegemoet treden: wij weten het als overheid toch beter en alleen wij zijn representatief voor de hele stad. Initiatieven die niet in het beleid passen negeren of proberen te annexeren. Initiatieven afwijzen omdat ze onvoldoende draagvlak in de samenleving zouden hebben in plaats van helpen dat draagvlak te verbreden. Of de dialoog en de confrontatie uit de weg gaan over hoe het initiatief botst met het gemeentelijke beleid. En o zo vaak komt het nog voor dat de netwerkfunctie van lokale initiatiefnemers niet wordt gebruikt en gemeenten buiten hen om zelf weer die contacten gaan leggen.

Binnen de lokale overheid heeft zich zichtbaar een systeemlogica ontwikkeld die niet zomaar van de ene op de andere dag weg is. Daar moet je dus gericht aan werken. Allereerst door initiatiefnemers te ‘empoweren’: hen rechten en voorzieningen te geven om tegenwicht te bieden naar partijen met macht en geld. Daarbij kan een voorbeeld worden genomen aan de ‘local community act’ in Engeland waarin rechten zijn opgenomen van burgers om zelf initiatieven te ontplooien als in hun ogen gemeente, instellingen of ontwikkelaars het af laten weten (‘right to bid and challange’). De gemeente Amsterdam werkt aan een buurtwet om dit type rechten te verankeren. Maar ook door binnen de overheidsorganisatie voorzieningen te treffen die initiatiefnemers echt helpen i.p.v. ze van het kastje naar de muur te sturen. Denk aan ideeënloket of stadsmakelaars.

Uiteindelijk draait het om het vermogen van bestuurders en ambtenaren om initiatiefnemers in de gemeente te behandelen als mensen waar je trots en zuinig op moet zijn. Daar zou in de politiek en in het personeelsbeleid op moeten worden geselecteerd en in opgeleid. Als het goed is ontstaat er dan niet een cultuur waarin bestuurders en ambtenaren op hun handen gaan zitten maar er plezier in hebben om dag na dag een nieuwe aanpak uit te proberen die naar meer smaakt: Samen maken we de stad en de gemeenschap.